Kweekschool

Geplaatst door

Mijn lief maakte mij attent op onderstaande tekst uit ‘De Italiaanse chauffeuse’ door Hans Dorrestijn. Ik had het boek nog niet gelezen.
Bij een aantal van onze lezers zal dit vast herinneringen oproepen. Plezierige, zoals in het stuk, of andere. Ieder maakt dat voor zichzelf uit …

ln tegenstelling tot mijn broer moest ik de hele mulo doorlopen. De Rembrandtschool was ten opzichte van de Monetschool geen vooruitgang, maar daarvan doe ik eerder in dit boek al verslag. [Hij vond het op beide scholen verschrikkelijk. Mede door houding en optreden van een aantal docenten. – KD] Na de mulo kon ik naar de kweekschool voor onderwijzers. Daarmee kwam ik van het Voorgeborchte van de Hel in het Paradijs terecht. Over de voortreífelijkheid van de leraren kom ik straks te spreken […]
De kweekschool voor onderwijzers (tegenwoordig pabo) was na de Monet en de Rembrandt zoals al gezegd het Paradijs, maar ik geloof overigens niet dat het humane gedrag van mijn nieuwe docenten veel met die maatschappelijke ontwikkeling te maken had. Docenten verbonden aan kweekscholen stonden al langer bekend om hun beschaafde omgangsvormen, en hun tolerantie en liefde voor de leerlingen.
Hun gezichten en hun stemmen waren vriendelijker. Hun oogopslag was niet van beton of prikkeldraad. Vanaf nu hoef ik geen gefingeerde namen meer te gebruiken. De leraren van de kweekschool hoefden zich nergens voor te schamen. Ze mochten trots zijn. Ze waren niet alleen aardig, maar ze hadden ook wat in hun mars. Ze waren stuk voor stuk vaklui. En omdat ze echt iets konden, hoefden ze de leerlingen niet te beschouwen als domme tegenstanders. Ze hoefden zich niet boven ons te stellen. Hun verdraagzaamheid was zo groot dat ze zelfs rekening konden houden met onze zwakheden en tekortkomingen. Door de krankzinnige toestanden thuis had ik nogal vaak last van depressies die mijn werklust aantastten. Zag de leraar Nederlands bij het uitdelen van de repetitieblaadjes mijn sombere kopwerk, dan zei hij bezorgd: ‘Als je het vandaag echt niet aankan, Hans, dan mag je hem ook volgende week maken.’ Dat was Schikhof. Hij had een prettig ovaalrond hoofd met een schubertbrilletje dat hij met een veelbelovend gebaar afnam als hij weer eens op het punt stond een sappige literaire anekdote te vertellen. Voor mijn opstellen kreeg ik van deze man achten of negens en één keer zelfs een tien. Met vertedering kijk ik op deze prettige goedwillende man terug en nu, vijftig jaar later, stel ik ontroerd vast dat hij net als ik een romanticus was. Eens declameerde hij tijdens de les het gedicht ‘De Waterlelie’ van Frederik van Eeden:

De Waterlelie
Ik heb de witte waterlelie lief,
daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.
Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenscht niet meer…

Hierna keek Schikhof een tijdje peinzend voor zich uit en zei, zijn bril afnemend: ‘Ja jongens, zo is het toch? Als je een mooie vrouw voorbij ziet komen, wil je toch niet denken wat er in haar lichaam zit. Dat bedoelde Van Eeden. Denk ik.’
Hij zei ’t tamelijk cryptisch, maar ik begrijp de woorden van mijn leraar steeds beter. Naannate ik ouder word, vind ik het onbegrijpelijker dat meisjes, vrouwen, net als ik naar het toilet moeten. Dat ze ingewanden hebben. Dat vind ik een belediging van haar schoonheid. Dat mannen stinkbeesten zijn, oké, maar vrouwen hebben dat zware Lot niet verdiend. Nog steeds zie ik de romantische Schikhof voor me. Heel helder zie ik die grappige kop met dat laagje heimwee eroverheen. Ach. Leefde hij nog maar, dan kon ik hem tegen me aan drukken om hem te bedanken voor alles wat hij deed en zei.
Ook de leraar Frans, Berits, was een prachtfiguur. Hij was tevens leraar Nederlands en hij zette zich in voor de vereenvoudiging van de spelling. Hij heeft me gestimuleerd om er Frans bij te gaan doen (de beroemde akte).
Er liep nog zo’n naïeve lieverd op die school rond, mijnheer Van Veen. Hij gaf maatschappijleer. Van Veen verstond de kunst om even aanstekelijk te vertellen over de regering-Drees als over de somberheden van het existentialisme. Nog zie ik zijn smalle jongensachtige figuur voor de klas staan en ik hoor zijn stem die zegt: ‘Het is van Jean-Paul Sartre bekend dat hij eens in de trein aan de noodrem trok met de woorden: “Uitstappen, mijne heren. God is dood.” Dan ging er een golf van enthousiasme door de klas. Niet dat we blij waren met het verscheiden van Onzelieve-Heer, maar het was de geestdrift van onze leraar die het hem deed. Tien jaar later ben ik deze geweldige figuur nog eens tegengekomen in de tram in Amsterdam. Hij was, merkte ik, oprecht blij om me te zien en hij vroeg: ‘En, wat doe je tegenwoordig, Hans ? Je schrijft toch nog wel, hoop ik?’ (Er stond af en toe een gedichtje of stukje proza van mijn hand in De Ruif, onze schoolkrant.)
‘Jazeker, mijnheer Van Veen, ik schrijf nu vooral liedjes. Ik ben cabaretier geworden.’
Hij keek me geschokt aan. ‘O, wat jammer!’ riep hij, ‘wij hadden gedacht dat je de grootste roman van na de oorlog zou schrijven!’ Ik zei lachend dat zulks onmogelijk was. Volgens mij hadden Hermans en Van het Reve dat al gedaan. Na deze ontmoeting liep ik handenwrijvend verder, mijzelf verkneukelend over het vertrouwen dat de docenten van de kweekschool aan de Jonkerweg in Hilversum in mij hadden gesteld.
Zonder een spoor van ironie kan ik nu zeggen: ‘Ik had het op die kweekschool al zo geweldig en toen kwam er nog zo’n prachtige figuur bij aan wie ik veel te danken heb.’ Hij kwam pas op school toen ik er al bijna vanaf was. De kunstgeschiedenisleraar was ziek geworden en mijnheer Lenstra was invaller. Hij pakte de zaak drastisch aan. Het lokaal werd verduisterd en in de suizende stilte verscheen er een ets van Rembrandt op een scherm. Ik zie het nog maar vaag voor me, maar de hoofdpersoon moet de Maagd Maria geweest zijn. Heel lang liet Lenstra ons in het schemerdonker naar de ets kijken. Eindelijk vroeg hij: ‘Wie van u kan iets bijzonders over dit meesterwerk zeggen?
Na lang dralen zei ik: ‘Het lijkt wel of het centrum met Maria overbelicht is.’
Na een korte stilte vroeg Lenstra mijn naam. Vervolgens zei hij: ‘Wilt u na de les even bij me komen, meneer Dorrestijn. Het was inderdaad het enig juiste antwoord. Heel goed.’
Na afloop zweefde ik naar hem toe. Zo geflonkerd had ik nog nimmer.
Lenstra, ouderwets-Engels gekleed met een knickerbocker, geblokte kousen en een echt Engelse snor en ook qua gelaatstrekken een echte Brit, knikte goedkeurend toen ik voor hem verscheen. Na een korte inleiding vroeg hij: ‘Wat bent u eigenlijk van plan na deze school te gaan doen? Wilt u echt les gaan geven?
‘Liever niet, maar…’
‘Waarom komt u niet bij ons studeren? Ik geef college aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens mij bent u daar echt op uw plaats.’
Ik had hem ter plekke moeten omhelzen en ik heb nog steeds spijt dat ik dat niet gedaan heb. Het was het minste dat Lenstra aan mij verdiende. Ik heb het gelukkigste gedeelte van mijn leven daar aan de UvA doorgebracht, aan het Instituut voor Nederlandse Taal en Letteren. Voor zover een mens echt gelukkig kan zijn. In elk geval trof ik er talloze fantastische docenten, sommige geniaal, maar alle voortreffelijke vaklui met hart voor de letteren en hun studenten. Ik noem Meindert Kraak, Enno Endt, Oey-de Vita, Veenstra en uiteraard Klaas Lenstra, die ons in zijn colleges enthousiast wist te maken voor zelfs het classicisme en voor de dichter Hubert Corneliszoon Poot. Zo’n soort dichter van wie iedereen de naam kent en niemand het werk. Lenstra behandelde ‘De Maan bij Endymion’ zodanig dat we voor ons leven wisten dat het geen pas geeft om met Poot de spot te drijven. Lenstra keek, als hij weer een fraai detail behandelde, met fonkelende ogen het lokaal in, daarbij het uiteinde van zijn snor tussen duim en wijsvinger ronddraaiend zodat er een scherpe punt ontstond die ik symbolisch hield voor zijn vernuft. Als ik aan hem terugdenk, voel ik smart, een ouderwets woord, maar beter kan ik het niet uitdrukken. Mijn hart bloedt als ik bedenk dat Lenstra nooit heeft gehoord hoe dankbaar ik hem
mijn hele leven al ben. En het is nu wel zeker dat ik er te laat mee ben …

Rijkskweekschool, Jonkerweg 1, Hilversum

Eén reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *